Uit de toon vallen

"Ik wist al dat ik geen intellectueel was, toch ging ik naar het concertgebouw"

Geschreven door Jeroen Coelen op 17 juni 2019 Leestijd: 5 minutes

Uit de toon vallen

In mijn zoektocht naar een identiteit na het afstuderen, dat is toch iets waar je onaangekondigd, bewust of onbewust aan begint, heb ik ooit de bedriegende gedachte gehad: “Misschien ben ik wel een intellectueel.” Maar dat schip is al meerdere keren gestrand. De Groene Amsterdammer zit vaak nog in het plastic als de volgende binnenkomt. Ooit was ik op date met een PhD-dame, die vertelde dat ze Camus nota bene in het Frans had gelezen. “Wie is Camus?” In Gerard Reve’s Avonden haakte ik af na twintig pagina’s, in zijn ochtend; Het Proces van Kafka kwam er niet veel beter van af: ironisch genoeg vond ik dat te langdradig — überhaupt getuigd het kopen van een boek al van een flinke berg optimisme.

Vorig jaar waande ik me in de programmering van een filosofische talkshow waar verscheidene uilenbrilletjes mij verward hebben aangekeken toen de avond werd doorgenomen. “We beginnen met een dame die de Maagdenhuisbezetting heeft georganiseerd, vervolgen met de voorzitter van de UvA, daarna een onderzoeker op het gebied van talent die aan Harvard heeft gestudeerd en tussendoor komt Jeroen wat moppen tappen” — Dat laatste is natuurlijk niet echt zo gezegd, maar zo misplaatst voelde ik me wel, daar in de foyer van de Stadsschouwburg.

Na deze serie misplaatsingen zouden veel mensen het op intellectueel gebied voor gezien houden, maar ik ben niet veel mensen: ik ben er maar één, en die is behoorlijk koppig. Koppig als in: ik heb veel meetpunten nodig voordat ik mijn conclusies trek, een hardleerse ezel.

Vrijdag ging ik voor het eerst naar het concertgebouw. Er zou iets opgevoerd worden van Ravel, een vriend nam me mee. Om mij heen zag ik dat mensen van mijn leeftijd moesten onderdoen voor de vele 65-plussers die netjes in jasje dasje naar de koffie, bier of wijn schuifelde. In mijn ooghoek dacht ik zeker vier keer Frits Bolkestein gezien te hebben; sowieso deed een kwart van de concertgebouwbezoekers me denken aan VVD-coryfeeën als Bolkestein of Wiegel. Die betalen graag zelf voor cultuur, dacht ik. In de rij voor ons drankje hoorde ik een gesprek van twee jongemannen: “De gemiddelde leeftijd is hier wel lager dan in Eindhoven.” “Nou, dat zou de stiltes ten goede komen”, reageerde zijn kameraad, “niks is zo vervelend als stiltes die worden verpest door gekuch.” Míjn kameraad had vooraf een berichtje gestuurd: “NIES, HOEST OF KUCH NIET TIJDENS DE STILTES”, wat dus blijkbaar niet volledige ironisch was bedoeld.

Het concertgebouw is een schitterend gebouw, ik zal niet de eerste zijn die dat beweert. Het podium — ik hoop dat ik de juiste terminologie gebruik — is verhoogd en huist tientallen muzikanten. Daarachter heb je twee kleinere tribunes voor publiek. Vanuit daar kijk je naar de dirigent — die verdacht veel weg had van Alan Rickmans vertolking van Severus Snape — die het orkest verzorgt van instructies. Instructies die je maar zelden ontrafelt. Je wordt er gehypnotiseerd door de vele strijkstokken die in een orgastisch ritme over de snaarinstrumenten gaan of juist geluidloos synchroon geheven worden. Tijdens de wissels kan je de vleugel a la The Thunderbirds uit de grond zien komen. Dit alles zie je niet of matig vanuit de lager gelegen zaal, maar wel vanuit die tribune, waar wij onze kaartjes hadden. Dat wij onze plekken daar hadden, kwamen wij slechts 30 seconden voor aanvang achter. Twee jongedames vroegen of wij wel op de goede plek zaten, daar in de lager gelegen zaal onder het podium. Jongedames in dergelijke culturele gebouwen zijn extra begeerlijk, een natuurlijke wet, datzelfde effect treedt ook op in onder andere musea of boekwinkels. Helemaal het summum wanneer die locatie hun werk is, bijvoorbeeld achter de kassa, wauw. We konden ons niet meer naar boven verplaatsen en de eerste helft heb ik vanaf de zijkant tegen een pilaar aan gekeken.

Het wordt ook wel de skybox van het concertgebouw genoemd (excl. bitterballen)

Als ik in de pauze was vertrokken en mensen mij hadden gevraagd hoe het was had ik geantwoord dat ik het een mooi gebouw vond. Dit ligt lijn met: “Hoe was het eten?” “De saus was lekker.” Dat lag niet aan het eerste stuk, het eerste klassiek stuk vloog voorbij. Toen het klaar was en het applaus begon — wat onwaarschijnlijk was had mijn kameraad mij verteld, vaak wacht men daar mee tot het einde van de avond — anticipeerde ik eigenlijk die stem van Radio 4, wat op een blauwe maandag bij mij thuis aanstaat. “U heeft geluisterd naar Jeux, poème dansé, L. 126 van Debussy, uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest …” Een bepaalde pavlov-reflex die ik uit het CD tijdperk ken, waarin je een bepaald nummer anticipeert na het eindigen van het vorige omdat je hem zo vaak in die volgorde geluisterd hebt.

De reden dat ik op de saus zou focussen is het tweede stuk voor de pauze — een klassieke beginnersfout — de kakofonie die modern klassiek wordt genoemd. Onbedoeld humoristisch als oxymoron, minder grappig als je er twintig minuten naar moet luisteren. Dergelijke muzikale ontgoocheling was mij helaas niet onbekend: op North Sea Jazz ben ik ooit per ongeluk een vrije jazz ruimte ingelopen; bijzonder weinig touwen om iets aan vast te knopen. Na afloop kwam de componist op het podium wat applaus oogsten waarop mijn kameraad zei: “Als de componist nog leeft weet je zeker dat het vrij modern is.” Gelukkig kwam na de tegenvallende opening na de pauze — wederom modern wat werkelijk klonk alsof ze hun instrumenten misbruikten — Ravel aan bod, waar ik wel degelijk van heb kunnen genieten. Ik dacht bij mezelf: “Dit is klassiek zoals klassiek hoort te zijn”. Met deze gedachte kon ik mezelf gerust stellen: Als ik dan geen intellectueel ben, ben ik op z’n minst een snob.

 12
 2

Lekker gelezen? Geef me een kudo! (gewoon klikken, geen login)


Lees ook over: