Life coach

Bij deze verklaar ik de oorlog aan deze zelfverklaarde beroepsgroep

Geschreven door Jeroen Coelen op 04 november 2019 Leestijd: 10 minutes

"Onze gemeenschappelijke vriend had me verteld dat je behoefte had aan een goed gesprek.” Zo werd ik geïntroduceerd aan een life coach. “Not a real job”, zei mijn vriendin al snel achteraf toen ik het haar vertelde. Wanhoop drijft tot het vreemdste gedrag der mensheid.

We hadden afgesproken in een cafeetje in Amsterdam waar mensen komen om speciaalbier te drinken, met hippe hapjes. Ik zat aan het raam, het licht vind ik fijn. Aan beide kanten twee tafeltjes verderop zat een stel. Een kale man van een jaar of 60, dandyachtig gekleed, begroette me. Hij had wat weg van een vollere Theo Hiddema in zijn vrijetijdsoutfit. We herkenden elkaar. In een ver verleden hadden we elkaar al eens gezien; hij herhaalde wat we aan de telefoon al besproken hadden. Hij ging niet naast me zitten. “In het gesprek komen waarschijnlijk erg persoonlijke dingen naar boven, zou je wat meer privé willen gaan zitten?” Mij maakte het niet echt uit, in kroegen wordt het levenslied gezongen en het leven besproken, dat mensen daar flarden van opvangen is niets nieuws of geheims. Hij bleef staan. We gingen ergens anders zitten.

We namen plaats op een bank in een hoekje van de kroeg. Zo’n bankje waar je op het puntje gaat zitten omdat de leuning net te ver in je rug zit. Beiden voelden we het discomfort, maar ik benoemde het niet. Hij liet een stilte vallen.

"Onze gemeenschappelijke vriend had me vertelt dat je behoefte had aan een goed gesprek.” Ik bevestigde dat. “Wat is de subliemste uitkomst van dit gesprek?”, vroeg hij. “Mag het onrealistisch zijn?”, vroeg ik. “Ja, dat moet zelfs”, antwoordde hij. Ik dacht even na. “Dat ik de deur uitloop en weet wat ik moet doen om m’n leven verdraagzamer te maken. Dat ik weer levenslust heb, een soort verlichting.” Dat bleek voldoende te zijn.

Vervolgens moest hij een beeld van mij vormen. Bijvoorbeeld door te vragen wat ik zoal doe. Ik geef les. Daarnaast werk ik naar mijn zeggen te veel met managers. Managers zijn stukjes mens, maar geen volledig mens meer. In die analyse had hij weinig interesse. Hij werkte veel met managers. De band met mijn vader was het volgende punt. De band met mijn moeder liet hij achterwege - wellicht geen fan van Freud, vroeg ik mezelf af. Band met je vader. Daar is al eens een psycholoog overheen geweest, en warempel: dat was het niet. Ik uitte mijn frustratie dat ik sinds mijn afstuderen al 3 - bijna 4 jaar - nodeloos aan het zoeken ben naar een balans in mijn leven. Ik nam een slok uit mijn biertje. Hij bestelde een Chardonnay uit Oostenrijk, daar was hij erg benieuwd naar.

Ik vertelde over een boek wat ik aan het lezen was, Nonviolent Communication. Hij kende het. Het boek hielp me om mijn gevoel te uiten. Hij ging snel door naar een boek wat hij las. Hij vertelde dat hij The Subtle Art of Not giving a Fuck onlangs had gelezen en zo fantastisch vond. We waren het eens dat het boek lelijk geschreven was en dat je je als lezer niet serieus genomen voelt. Ondanks deze beperkingen had hij er iets aan gehad. Hij is als babyboomer natuurlijk wat meegaander opgevoed, vertelde hij. Opmerkelijk toch dat het boek over meerdere generaties zo populair is.

A: Hoeveel fucks gaf je eerst?

B: 4

A: Hoeveel fucks geef je nu?

B: Nul.

A: Hoezee!

Weer liet hij een stilte vallen. Ik vond dat hij dat te theatraal deed. Hij doorbrak deze stilte op abrupte wijze met de zin: "Ik heb drie gedichten voor je.” Dit zou al een signaal moeten zijn dat het gesprek een opmerkelijke wending krijgt. Ik zocht opheldering, maar in gedichten? Ik ken mijn klassiekers niet, dus had geen idee of dit pulp of kwaliteit was. Stel hij citeert iets wat mij raakt wat vervolgens van Grad Damen blijkt te zijn. Dat zou hard moeten binnenkomen. Hij begon:

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka wens dat de weg dan lang mag zijn. […]

Midden in het gedicht interrumpeerde een serveerster. "Nog een biertje?" Ik hield me stil. Hij was stil. We keken elkaar kort aan, het was alsof hij vroeg: “gaan we gewoon door?” Mijn biertje was op. Bovendien vond ik het vreemd om de serveerster te negeren. “Ja, lekker”, zei ik. “Heb je nog een andere witte wijn?”, vroeg hij. “Nee, alleen een muscat.”, zei de serveerster. “Muscat vind ik niet lekker, ik houd het hierbij”, zei hij, om vervolgens zijn gedicht te hervatten toen de serveerster weer weg liep.

[…] En al tref je er niets aan, dan heeft ze je toch niet bedrogen: met alle wijsheid die je vergaard hebt, met zoveel ervaring, begrijp je dan stellig wat Ithaka's zeggen willen.

link naar volledige gedicht

Hij keek me stellig aan en vroeg me wat mijn Ithaka was. Ik zei dat ik ooit schreef: "Mensen zeggen dat 'de reis belangrijker is dan de bestemming'. Maar wat nou als ik niet van reizen houd!?” Ik kan me geen reactie herinneren. Ik noem hierna gedwee op wat mijn ideaalbeeld is. Iets omtrent vrijheid, het kunnen maken wat ik mooi vind, etc. Opdagen, Jeroen zijn en weer weggaan. Hij zegt dat ik het eigenlijk concreet genoeg weet.

Hij was ooit op de intensive care beland, moest hij vertellen. Toen had hij zijn leven omgegooid. Hij is professioneel dansleraar geweest. Trainde dansers van het hoogste niveau van Nederland. Dat hij helemaal kan opgaan in de muziek, in de dans. Ik herinnerde mij een dansoefening tijdens een toneelles. Ik moest dansen volgens de elementen, van water naar aarde naar vuur naar lucht: niets voor mij. Ik reageerde: “Het zal je niks verbazen, maar ik vind het moeilijk om mij daar aan over te geven.” Hij draaide zich naar mij en keek me glazig aan. “Wat doe je?”, vroeg ik hem. “Nou, jij zei dat het mij niks zal verbazen? Ik uit hier mijn non-verbazing." Ik voelde me on-empatisch maar bovenal verward. De man had amper zichtbare wenkbrauwen. Dat hielp hem niet met non-verbazing te uiten.

Zijn quinoa salade werd gebracht. Ik nam een inktvisring. “Alles naar wens?”, vroeg de serveerster. "De wijn vind ik niet lekker, maar de salade is heerlijk.” Hij somde nog twee gedichten met dramatische pauzes op. Ik giste de betekenis van de twee andere gedichten - ze lagen in dezelfde strekking. Wederom was hij stil.

"Je probleem is Descartes." Dat kan je ook anders zeggen, dacht ik. "Je overwaardeert je rationaliteit." Ik gaf hem gelijk. Met je Descartes. Waarom overwaardeer ik rationaliteit zoveel? Die ironie omtrent het feit dat ik ging redeneren waarom ik rationaliteit zou overwaarderen ontging me. Wellicht kwam het omdat ik minder goed in de gevoelskwesties was en me dan vasthoudt aan wat ik wel heb? Ik vroeg: “Is dat wellicht als iemand het ene niet heeft het andere gaat overwaarderen?” Hij keek me aan op een manier die ik niet goed kon plaatsen en zei: “Nou, ik kan wel nadenken hoor”, brabbelde wat en het enige woord wat ik nog opving was Mensa. Nu leek ik hem beledigd te hebben. Mensa, de club van lelijke kinderen maar dan van pedante volwassenen, met een IQ van de top 2%. Nou, hoger dan 130, toe maar. Plato en Socrates zijn postuum blij dat ze niet in de schaduw hebben hoeven leven van deze meneer. Ik was verward, mijn opmerking ging over mijn onvermogen me over te geven aan mijn gevoel; ik noemde hem beslist niet dom in zijn gezicht. Met een onhandig excuus probeerde ik de gemaakte schade ongedaan te maken. Dat lukte enigszins, maar ik zag hem steeds verstrooider kijken.

“Jeroen, ik heb het met je te doen. Iedere keer als er iets gezegd wordt, trek jij een conclusie. Van die conclusie vraag jij je weer af wat dat inhoudt. Om daar dan weer een conclusie aan te verbinden. Het houdt nooit op.” Een therapeut zei ooit tegen me: “Jeroen, niet alles heeft een verklaring!” Waarop ik vroeg: “Waarom niet?” Ik vond hem pathetisch over mijn denken.

Hij zei daarna uit het niets dat ik een genie was. Ik moest lachen, dat leek me enigszins overdreven. Toch hield hij aan dat ik een genie moest zoeken die zin had in al mijn vragen. Maar hij was dat niet, nee hij was dat zeker niet.

"Ga naar London, naar Allain de Botton”, maande hij mij. Ook zo’n genie. "Daar kan je mee praten." “Ken je hem goed?”, vroeg ik hem. “Ik heb veel van hem gelezen, ik vind hem briljant”, zei hij. Ik vervolgde. “Ik heb altijd gehoord dat The School of Life behoorlijk commercieel is”. Hij erkende dat. Ik vind het lastig hier iets uit te halen als iemand tegenstrijdige informatie deelt. Als ik mensen met filosofische opleiding over Alain de Botton hoor is dat vaker negatief dan positief. Dat beeld deelde hij, maar toch vond hij dat ik met die commerciële man moest gaan praten. Om dat maar eventjes te doen.

Er viel weer een stilte van ruim tien seconden. “Ik kan je niet helpen Jeroen.” Dit voelde niet prettig. “Waarom niet?”, vroeg ik? Hij gaf aan niet met me mee te kunnen in het meta denken. Het kostte hem te veel energie. Hij zei dit 'bewust met scherpe tonen' - hij merkte op dat ik auditief hoog sensitief zou zijn - zodat het binnen kwam. “Er is vast een publiek voor jou, maar ik ben het niet, nee ik ben het niet. Schrijf een boek, als de bagger van The Subtle Art kan, kan jij ook. Maar als je boek uit komt, koop ik het niet. Of jawel, dan koop ik het wel. Niet om dat ik inhoudelijk geïnteresseerd ben, maar omdat ik wil weten wat er van je gekomen is.” Hij sloot af met een verhaal hoe hij ooit van 250 gulden per sessie naar 2500 gulden kon gaan. Dat vond ik erg chique van hem. Toch zei hij: “Nog meer sessies als dit zou me te veel energie kosten, Jeroen.” Ik vroeg hem of hem dit energie kostte. "Dit had ik liever niet gedaan.” Ik besloot de kroegrekening te betalen; ik hoopte dat ik hier iets uit zou halen, wellicht is het deze column.

Voor veel mensen was deze ervaring de oorzaak van boosheid geweest. Menig persoon wie ik dit vertelde had het ook met me te doen. Een vriend wilde hem een tik verkopen. Ik voelde geen boosheid. Ik voelde me niet al te best; ik ben met name verward geweest, want deze man zou erg goed zijn. Ik probeerde met man en macht te vinden waarin. Maar dit was het niet. Ik waardeerde de integriteit van proper opgeleide therapeuten, die zich wél kunnen inhouden en niet zo laten kennen als iemand wat vragen stelt.

Een maand later zag ik die gemeenschappelijke vriend die mij aan deze bedenkelijke levensdokter had gekoppeld. Ik nam het hem kwalijk. Hij mocht iets terugkoppelen. Ik kreeg te horen dat het allemaal bewust was. “Dat hij Jeroen even goed op zijn grondvesten heeft laten trillen.” Ik vertelde dit aan mijn huidige therapeut. Hij vond dit niet bepaald ethisch. De wonderdokter had gezegd: “Jeroen zit vast in de notie dat er iets mis met hem is. Iedereen die daar niet in mee gaat, diskwalificeert hij.” Dat ik afwijk van dan de massa heb ik rond mijn tienerjaren al aangenomen. Ik heb deze man op andere gronden gediskwalificeerd.

Ik vroeg me af of deze sessie een kentering in mijn leven zal worden. In dat geval is deze man mijn eigen intensive care ervaring. Gelukkig ben ik niet 2500 gulden armer en heb ik bovendien mijn wenkbrauwen nog.

 16
 0

Lekker gelezen? Geef me een kudo! (gewoon klikken, geen login)


Lees ook over: