Kamp eren

Want dat was zó leuk

Geschreven door Jeroen Coelen op 31 juli 2019 Leestijd: 6 minutes

Slapen in een klamme tent, in je balleknijper teruggefloten worden omdat je langs het zwembad rent en met een afwasteil naar het sanitair blok lopen: dit is het droombeeld wat is blijven hangen uit mijn jeugdvakanties.

Ik had onlangs een vriend aan de lijn die dit beeld met mij deelde. In dit gesprek viel de zin: “Bij mijn ouders thuis liggen nog zeker tien tenten in alle soorten en maten.” Ook dat klonk herkenbaar: bij mijn ouders thuis hebben genoeg tenten gelegen om kleine jungle van Calais op te tuigen. Het kroonjuweel van onze en bleek ook hun verzameling was de bunker onder de tenten: een De Waard tent. Deze bestaat uit dik stof zo stug als leer, tachtig stokken en zeshonderd haringen die je door broze rubberen lussen moest halen. Wij gingen altijd vier weken op zomervakantie, maar dat kwam met name doordat de eerste drie weken in beslag werden genomen van het opzetten van de De Waard tent. Tijdens deze eerste drie weken hadden we een tent van LaFuma, die ongeveer twee weken - inclusief echtelijke ruzies - kostte om op te zetten. Om die periode te overbruggen, hadden we een koepeltent van Quecha - afkomstig uit de Decathlon: de Primark onder de kampeerwinkels. Deze stond in één week. Om die periode te overbruggen zaten we een week in een nabijgelegen huisje.

In de vakantieplanning van mij en mijn vriendin kwamen we achter een gedeelde nostalgie rondom kamperen. Slapen onder een sterrenhemel, tegen elkaar aankruipen als de regen zachtjes op de tent tikt, een lekkere steak op de gril, uitrusten in de natuur: dat moeten we nog eens doen.

Het begon op de overnachtingscamping. Als woord al het toonbeeld van het Nederlandse ANWB-vakantiegenot. Ik stel me een lijstje voor in hun gids met “De 10 beste overnachtingscampings in het Duitse Zwarte Woud.” We zaten op een rustige overnachtingscamping. Het eerste hinderlijke na een reis van 9 uur was het koken. De keuken betrof een plek van kiezels met daarop een één-pittertje, want ‘waarom heb je eigenlijk meer nodig?’ De balanceeract van een pan op deze pylon van een fornuis liet ons nieuwe hoogtes van geduld kennen.

Nadat we ons voldoende hadden verveeld op de klapstoeltjes waar ik net te breed voor was mochten we naar bed. Ondanks dat de 2-seconden tent duidelijk aangaf plek te bieden voor drie personen voelde het voor ons tweeën buitengewoon claustrofobisch aan. Ik paste amper in mijn lengte in de tent, waardoor ik scheef moest liggen. Hoog viel de tent ook niet te noemen. Rechtop zitten kon ik niet, wat het eigenlijk een veredeld matras plus zo’n 40cm maakte. Een queens' size doodskist.

Onderweg naar het tandenpoetsen kwam ik terecht in iets wat ik als kind niet had meegemaakt: Het gelul met de Nederlandse buren. In ons geval babyboomers Gerrit(?) en Ria(?) uit vermoedelijk Nieuwegein (of iets Alphen aan de Rijn-achtigs). “Fijne reis gehad? Wij zaten in Lienz. Erg weerzeker daar. Regen in de Alpen? Lienz zaten we dus. Nu drie dagen hier. Amsterdam? Dat is wel ver, ja. Maar onze vakantie is weer bijna voorbij, nu zitten we 3 dagen hier. Waar gaan jullie heen? Wij zaten in Lienz.” Het reisverslag van Gerrit en Ria stond niet hoog op de shortlist voor het slapen gaan. Toch hoorde ik mezelf zeggen: “Oh Lienz, leuke dingen over gehoord”, terwijl ik voor dit gesprek niet eens wist dat deze stad (of dit dorp) bestond. Dat is wat de camping met je doet: je wordt meegezogen in het vinex gezever van de Skoda-buren. Toen ik doorliep, hoorde ik Ria aan Gerrit rapporteren: “Amsterdam. Naar de Alpen. Ja. Lienz.” Ik heb hoofdschuddend doorgelopen moeten hebben.

Op de - alsof er maar één bestaat - camping ben je in de nacht veel minder coulant voor je blaas. Je riskeert namelijk het volgende. Het wakker maken van je partner. Vier keer (want binnen- en buitentent, uit en in) knarsen de ritstandjes luid alsof ze letterlijk nachtrust vermalen, voor een enkele plasbeurt. Dan loop je jezelf eerst vijf minuten wakker. Hierna zullen de stadionlampen van het toiletgebouw je retina wegschroeien, opdat je zeker weet dat je pas een uur later weer slaapt. Alleen als het niet meer kan.

Een dag later zaten we nagenoeg op de grens van Oostenrijk en Duitsland, in Garmisch-Partenkirchen, want dat moest. Ofja, moest, mijn vriendin wilde daar nogmaals naar toe omdat ze daar een aantal jaar geleden iets leuks had gedaan. In relaties moet je schijnbaar zo nu en dan op zoek naar een compromis. Die gulden middenweg ligt in de praktijk toch opvallend vaak - overeenkomstig met clichés - paralel aan de zin van de vrouw. Ik ben een leek op dit gebied, als meerdere mannen dit opvalt moeten we dit wellicht eens aankaarten in Den Haag.

De eerste camping die we bezochten was een regelrechte ramp. Om een onbegrijpelijk reden was 90% van de camping bestemd voor campers en waren drie grasveldjes omgetoverd tot tentplekken met blijkbaar het credo “Pleur maar neur." Mijn vriendin en ik keken elkaar aan en concludeerde dat dit ‘hem niet was’. Gelukkig was er nog een andere ‘camping’ in het dorp. Bij aankomst werden we hartelijk ontvangen door Amerikaanse defensiemedewerkers met geweren die groter waren dan ik nodig achtte voor het runnen van een camping. Deze camping bleek echter gereserveerd voor bezoekers van de militaire Amerikaanse basis die in dit dorp zat. Een van de nazaten van Uncle Sam vond het nodig om ons naar de uitgang, tien meter verderop, te escorteren. Dit gebeurde uiteraard met gepaste, dan wel Amerikaanse vriendelijkheid, met de hand op de trigger.

Op het festivalterrein van de eerste camping stond onze tent wederom in twee seconden. Ik verzekerde mezelf dat ik hiermee een ruzie had bespaard. Maar het idee dat we tussen deze tenten tot rust zouden komen verdween even snel als het exorbitante bedrag wat ze per nacht vroegen voor dit tentenkamp. Ik probeerde te dutten, verscholen achter een tafel op zijn zij die een schaduw op mijn bovenrug wierp. Een jongen in een polo met de tekst 'Slagwerk Renkum' vroeg of we naar hun optreden kwamen. 'Om zeven uur bij de ingang.' Dan zit je al op een camping die sympathie oproept met het grenskamp bij Turkije, komen de jongens van Slagwerk Renkum ook nog je rust verstoren.

Na een Schnitzel buiten de deur (deur is in deze context een groot woord voor rits), na wat vloeken op de principes van vraag en aanbod, en nadat we onze slechte voorbereiding onder ogen zagen gingen we slapen. Het geluidspalet van de camping wat door de laagjes kunststof hoorbaar was verhinderde deze poging. Ik hoorde mijn buurman snurken door mijn oordoppen heen. Een tent verderop klonk: “Het eten is nog best goed eigenlijk”, wat voor mij een samenvatting betreft van het gedoe wat kamperen met zich mee brengt. “Voor een kutsituatie is het nog best wel te pruimen, Sjaak.”

Neen, de rust was zeker niet om de hoek. Ik zou schrijven dat het droombeeld is gesneuveld na deze marteling van een ervaring. En nu ik dit nalees, na zeven dagen in een huisje, snap ik niet dat ik destijds naar een camping verlangde. Toch geven we de moed niet op. Om het onzekere voor het zekere te nemen gaan we de komende drie nachten daarom nog een poging wagen op een camping.

 5
 0

Lekker gelezen? Geef me een kudo! (gewoon klikken, geen login)


Lees ook over: